De landman en zijn kinderen

Harm Kamerlingh Onnes / 1925

Een rijke landman (letterlijk: ploeger) is zijn einde nabij en drukt zijn kinderen op het hart goed voor zijn akker te zorgen, omdat daarin een schat verborgen zit. De jongen links op het raam kijkt wat chagrijnig en wil weten waar. Maar de vader sterft zonder iets te zeggen. Ze graven dag en nacht. “Hoe men zwoegen, zweten mocht, men vond de schat niet die men zocht.” Pas toen het zomer werd en het graan overvloedig op het land stond begrepen ze wat vader had bedoeld. De moraal is dat de akker, het werk en de opbrengst zelf de schat zijn. Met het doorgeven van die schat worden alle voorouders geëerd. Door het werk van zijn kinderen leeft ook de vader eeuwig voort. De zoon linksboven draagt een hoed die boeren tegen de zon dragen.

Schets